Foto's en video | Unieke tjotter uit 1923 na drie jaar durende restauratie weer te water in Langweer

LANGWEER Drie jaar lang werkten Frits en zijn vader Ben van Pelt uit Langweer meerdere dagen per week aan het opknappen van een tjotter uit 1923. Vrijdagmiddag ging de klassieker, die in de jaren twintig van de vorige eeuw door botenbouwer Sietse Hoogeveen werd gemaakt en in het bezit was van een poppenspeler, te water.

Frits van Pelt zag het klassieke zeilschip vijf jaar geleden te koop staan op internet. ,,Ik dacht meteen: 'Wat een mooi schip'. Hij lag bij botenbouwer Edwood in Garijp. Toen hij ging kijken, bleek dat er zink als ‘doodskleed', zoals dat heet, over het hout was aangebracht. Het hout zelf was volledig verrot.”

Ondanks de staat van de tjotter, die als naam Brûser had en nu de Twee Futen heet, kocht Frits van Pelt het schip. Niet alleen omdat hij tjotters altijd al mooi vond, maar ook vanwege de bouw ervan door Sietse Hoogeveen.

,,Ik lees heel veel over tjotters. Sietse Hoogeveen was een hele goede botenbouwer. Zelf heb ik altijd een schouw gehad. Maar tjotters vind ik mooier. Je zit heel laag op het water, wat een hele mooie zeilervaring geeft. Daarnaast vind ik het snijwerk van tjotters prachtig.”

Twee jaar in het hok

Nadat de tjotter vervolgens twee jaar lang in het hok bij Van Pelt zijn vader in Langweer lag, begon de restauratie. Een half jaar lang werd datgene verwijderd wat er of niet op hoorde of volkomen vergaan was. Zo werd het zink verwijderd, werden honderden spijkers er met de grootst mogelijke moeite uitgehaald en zijn emmers met pur uit de boot verwijderd samen met veel multiplex en triplex. 

,,Over het verrotte hout heen was aan de binnenkant van de tjotter multiplex aangebracht. De ruimte tussen het multiplex en het zink was opgevuld met pur. Dat was allemaal kletsnat geworden en was een ongelooflijk vies werkje om te verwijderen. Toen dat allemaal eenmaal klaar was, kon het opbouwen beginnen.”

Met dank aan zijn vader en engelengeduld werd vervolgens tweeënhalf jaar lang gewerkt aan het eindresultaat. „Hij weet hoe je boten moet opknappen. Zelf heb ik dat ook bij hem geleerd. Zonder mijn vader, had ik de restauratie nooit voor elkaar gekregen. Want toen ik de tjotter gekocht had, dacht eerst wel: ‘Waar ben ik aan begonnen’. Dat gold zeker nadat het zink eraf gehaald was, er bleef heel weinig hout over en alle ‘inhouten’ waren vergaan.”

Restauratiewijze

In tegenstelling tot vroeger tijden, werd bij het opbouwen niet eerst de voor- en achterkant van het schip gemaakt samen met de zandstrook en vervolgens de gangen ertussen geplaatst. 

In plaats daarvan werden bij de restauratie eerst de bovendelen in het verlengde van het boeisel in het voor en achterschip gemaakt, schotten geplaatst voor het verband en eerst een spant en een legger gezet om weer de originele vorm in het schip te krijgen.

Op het schip zelf zijn enkele originele onderdelen na restauratie teruggeplaatst zoals de hennebalk bij de achterplecht (achterkant schip) uit 1923. Ook de gaffel is origineel. Daarnaast stamt het katoenen zeil uit de jaren zestig. 

Voorin het schip was door de vorige eigenaar in 1969 een nieuwe bedelbalk geplaatst (een onderdeel dat boven de voorplecht van een tjotter hoort) met daarop de tekst: ‘Lea noch uren sparre mar ik bleau bewarre’. 

Van Pelt: ,,Dat zegt wel iets over de uren die er toen al in gestoken zijn om de tjotter met behulp van zink weer vaarklaar te maken.”

Stamboek

De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (SSRP) liet ondertussen haar oog ook al vallen op de tjotter. In haar blad De Beretanden is het schip al beschreven, terwijl ook op de website www.ssrp.nl informatie over de geschiedenis van de tjotter is te vinden.

,,Vooral het feit dat de tjotter in het magazine is beschreven, is bijzonder. Normaal gesproken staan er nooit dergelijke gerestaureerde schepen in”, zegt Van Pelt.

Snijwerk

Op de tjotter is ook snijwerk te zien dat niet oorspronkelijk op een dergelijk schip hoort. Dat is gemaakt door Ben van Pelt. Zo heeft hij niet alleen een esdoornblad gemaakt op de achterplecht. Ook heeft hij arcantus (als oneindigheidssymbool) aangebracht, evenals enkele eikenbladeren. 

Daarnaast heeft hij op het roer aan weerszijden futen aangebracht (de roerklik). Dat is bijzonder. Want op dergelijke schepen worden wel afbeeldingen van vogels aangebracht meestal een paradijsvogel, maar niet van futen. Verder is ook het op het hout gemaakte snijwerk in de vorm van riet uniek (roerwangen).

,,Verder heb ik in het schip kastjes gemaakt. Die zie je normaal gesproken alleen in boeiers. Maar omdat het een jachtje is geworden, heb ik de kastjes aangebracht”, zegt van Pelt.

Vroeger twee types

Overigens waren er in vroeger tijden twee types tjotters. Dat betrof vrachtbootjes voor de boeren en buitenlui. Die waren eenvoudig en hadden in het schip alleen zitbankjes. De rest van de ruimte was bestemd voor vracht of boodschappen. 

Het tweede type betrof luxere modellen voor notabelen. Die tjotters waren mooi betimmerd en zaten mooi in de lak.

,,Deze tjotter was een werkbootje en is nu een jachtje waar ik veel zeilplezier van hoop te hebben”, zegt Frits van Pelt die er tijdens Pinksteren meteen mee het water opging. 

,,En een ding is zeker, ik ga deze tjotter nooit verkopen omdat ik hem samen met mijn vader heb gemaakt. Zelf mocht ik vooral assisteren, schuren, verven en lakken. En aan zo’n scheepje werken is een hele bijzondere ervaring.”

Jitze Hooghiemstra